Gert van Santen

Curriculum vitae

Download gert’s cv (pdf)

Contactinformatie

Als u contact met Gert wilt opnemen, of als u hem wilt contracteren voor een vertaling, stuur hem dan een e-mail

De leunstoelfilosoof

Gert’s gedachten over de wereld vindt u op zijn blog De leunstoelfilosoof.

De uitvinding van Hugo Cabret

Uitgeverij Mynx
The invention of Hugo Cabret
Over automaten
Over Georges Méliès

Gebed voor een moordenaar

Robert Ferrigno
Prayers for the Assassin Wiki




Fantastische nieuwe wereld II - juli 2008

Nawoord bij onderstaande column

Wie dat nog niet begrepen had: onderstaande column is natuurlijk cynisch bedoeld. Wie nog eens wat dieper over dergelijke onderwerpen wil nadenken, kan het stukje Think different op deze pagina lezen dat ik onlangs tegenkwam.
Van daar uit is het een kwestie van rondgraven op het world wide web, als je je, net als steeds meer mensen, ook langzaam begint af te vragen in hoeverre onze wereld inderdaad zo fantastisch is…

Fantastische nieuwe wereld - juli 2008

Op weg naar een fantastische nieuwe wereld

Het ging een tijdlang niet goed met Nederland en de rest van de wereld. Het was een rommeltje. Onder andere als gevolg van de wollige vrijdenkerij uit de jaren zestig liep het leven op onze aardbol uit de hand en werd de samenleving alsmaar onoverzichtelijker. De poppen waren aan het dansen, en er moest worden ingegrepen. Iedereen wil tenslotte prettig leven. Sinds enkele decennia reserveren overheden en instanties dan ook torenhoge budgetten voor projecten die dienen om burgers te corrigeren en te controleren, kortom: netjes in het gareel te krijgen – en te houden. En dat begint al bij u thuis.

Een willekeurig voorbeeld. Jaarlijks lopen honderden Nederlanders brandwonden of erger op als ze, door alcoholhoudende aperitiefjes overmoedig geworden, hun sateetje handmatig omdraaien in plaats van veilig met de tang. Er schijnen zelfs ‘barbielovers’ te zijn die in hun onbesuisdheid de houtskool met spiritus aansteken. Dat kan natuurlijk niet langer, zo heeft men gedacht. Daar moet een indringende campagne op los worden gelaten. En die campagne is er nu. Zoiets kost een paar centen, maar het scheelt ‘s zomers flink wat blaren.

Onze voedselconsumptie wordt door de overheid in steeds strakkere banen geleid zodat we precies datgene binnenkrijgen wat onze regeringen – die op dat gebied veel onderzoek laten verrichten – goed voor ons vinden. Zo kopen multinationals bijvoorbeeld patenten van granen op en worden steeds meer groenten en fruit zonder zaad geteeld zodat consumenten niet meer in de verleiding kunnen komen om zelf gewassen te gaan kweken met allerlei ziekten erin en beestjes erop. Het zal nog wel even duren, maar uiteindelijk eten we straks allemaal gezond, ook de mensen die nu nog dagelijks patat, koek en cola naar binnen werken.

Er zijn natuurlijk veel meer zaken die onveilig, schadelijk of zelfs erger zijn. Het roken hebben we inmiddels goed in de tang; dat mag binnenkort alleen nog in speciaal daartoe aangewezen zones buiten de bebouwde kom. Ook alcohol wordt langzaam maar zeker subtiel in de taboesfeer gedrukt. Daar staat natuurlijk tegenover dat regeringen nieuwe inkomstenbronnen moet zoeken om hun activiteiten te kunnen blijven bekostigen. Rekeningrijden, accijnsverhogingen, de invoering van de euro, slimme belastingen en natuurlijk bezuinigingen, zoals in de gezondheidszorg en het onderwijs, zijn daarvan goede voorbeelden; daarmee worden in een paar rake klappen veel vliegen geslagen.

Het is goed dat tegenwoordig niet alleen overheden, maar ook bedrijven over steeds meer mogelijkheden beschikken om de burger aan te pakken – liefst nog vóórdat hij iets fout doet – dat neemt de politie veel werk uit handen. Neem de grotere supermarkt- en winkelketens. Als aanvulling op de camera’s worden daar woest kijkende reuzen in zwarte kostuums aangesteld die de hele dag als obelixen langs de schappen denderen. Geen puber die nog een Breezer pikt. Dat scheelt.

Een ander voorbeeld: ik stond onlangs op de trein te wachten. Ik had mijn fototoestel bij me en maakte een kiekje van een collega – waarbij uiteraard ook een stukje station werd vastgelegd. Het volgende moment verscheen vanuit het niets een boomlange man die informeerde naar de kwaliteit van de opname. Ik vroeg waarom hij dat wilde weten, waarop hij aangaf dat het verboden is om op spoorwegstations te fotograferen. Dat was nieuw voor mij. Na mijn verzoek om een legitimatiebewijs toonde de man een beduimeld pasje om vervolgens een verhaal over terrorismedreiging te beginnen. Ik schrok. Terrorismedreiging, zo dicht bij huis? Ik heb de gewraakte foto direct gewist – er kon tenslotte iets op staan wat niet voor mijn ogen was bestemd. Een vergelijkbare problematiek betreft het fotograferen van kinderen. Het is goed dat hier steeds meer verzet tegen komt. Hoeveel pedofielen plegen tenslotte geen onzedige handelingen terwijl ze zich verlekkeren aan zogenaamd onschuldige kiekjes van een kleuterklasje op een schoolplein?

Ten slotte wijs ik op het gevaar van een overdaad aan kennis. Er zijn hier op aarde nu eenmaal zaken gaande waarvan de gewone burger beter geen weet kan hebben – ze zouden hem alleen maar in de war brengen. Het is dan ook in ons aller belang dat regeringen bepaalde informatie voor ons afschermen. Dat gebeurt al millennia met groot succes. Recentelijk verschijnen echter steeds meer berichten en zelfs boeken van onverantwoordelijke lieden die hebben gegraven op plaatsen waar ze niet horen te graven. Hierdoor gaat esoterische kennis over bijvoorbeeld onze werkelijke afkomst, het doel van de mens op aarde en de ware toedracht van de elf-septemberaanslag een eigen leven leiden op het internet. Het is maar goed dat er plannen zijn om dit medium gaandeweg moeilijker toegankelijk te maken voor de gewone burger en dat het onderwijs ons na jarenlang aanmodderen nu de juiste minimale basiskennis biedt waarop we allemaal netjes kunnen meedraaien zonder dat we overal lastige vragen bij stellen die weer storende problemen veroorzaken. Maar aangezien we uitgebreid geamuseerd worden met televisie, er nooit een tekort is aan nieuwe producten die we nog moeten aanschaffen en we voortdurend administratieve taken moeten vervullen om volwaardig burger van deze samenleving te kunnen blijven, is er nauwelijks tijd over om op foute gedachten te komen of verkeerde dingen te doen. Een zegen! Veel grote denkers zijn ons dan ook voorgegaan om ons in de gelegenheid te stellen dit wonder der staatswetenschap tot stand te brengen.

Ik volg de hierboven geschetste ontwikkelingen op de voet en heb er goede hoop op dat onze aardbol met behulp van de modernste methoden en technieken een fantastische nieuwe wereld gaat worden. Voordat het zover is, zal er nog heel wat gecontroleerd en gecorrigeerd moeten worden, maar we zijn op de goede weg.

Kort verhaal - maart 2008

Een korte historie van God, het heelal en de schepping

Download dit korte verhaal als pdf

Er was eens, heel lang geleden, een oneindig groot niets. Niemand wist waar het vandaan kwam of waar het ophield, maar het werd heelal genoemd, en het gerucht ging dat het er altijd al was geweest en dat het onbegrensd was. In dat peilloze niets was zo ver je keek nog geen stofje te zien, en zelfs als er heel erg sterke telescopen hadden bestaan, zou daarmee absoluut niets zijn waargenomen.

Maar na een tijdje – om een indicatie te geven: het zal een miljard tot de miljardste jaar geleden zijn geweest – begon er beweging te komen in al dat niets. Misschien was de verdeling ervan over de leegte uit balans geraakt zodat er hoge- en lagedrukgebieden waren ontstaan, en een blik op een willekeurige weerkaart laat zien wat er dan gebeurt.

Hoe dan ook, in alle hoeken en gaten begonnen minuscule stukjes avontuurlijk niets zich los te maken van de omringende leegte en langzaam door de ruimte te zweven. Daar was natuurlijk niets van te zien, maar een slimme astronoom uit het Vlaamse Wondergem is er onlangs in geslaagd om met behulp van een ingewikkelde formule uit te rekenen dat het in grote lijnen ongeveer zo moet zijn gegaan.

Maar we lopen op de zaken vooruit.
Nadat opnieuw vele miljarden jaren waren verstreken, gebeurde op een avond rond etenstijd het ondenkbare: alle zwervende stukjes niets waren precies op hetzelfde moment op hetzelfde punt aangekomen.
Nu gaan er natuurlijk stemmen op die zeggen: wat een flauwekul, dat bestaat niet, zeker niet in zo’n groot heelal. Maar het tegendeel is het geval. De wetenschap stelt namelijk dat iets wat theoretisch mogelijk is, uiteindelijk met zekerheid zal plaatsvinden – als je er maar lang genoeg op wacht. En in een universum dat al een eeuwigheid bestaat, is aan één ding geen gebrek: tijd om op van alles en nog wat te wachten.

Na miljarden jaren was het dus zover: de beweeglijke stukjes niets hadden zich samengebald in een ruimte ter grootte van een pinda. In zo’n oneindige zee van niets was dat natuurlijk toch wel iets.
De materie was geboren.

Opnieuw gingen eonen voorbij. Steeds meer stukjes niets voegden zich bij het iets waardoor het brokje materie een steeds grotere dichtheid kreeg. Dat zorgde voor een toenemende druk, en zoals iedereen weet, moet druk op een gegeven moment van de ketel.

Op een dag was er een haast onzichtbaar deeltje dat er schoon genoeg van had. Het had natuurlijk geen naam, bewustzijn of duidelijk aanwijsbare locatie, en denken was er al helemaal niet bij, maar het kon wel voelen dat het flink klemzat, en dat moest maar eens afgelopen zijn. Het begon aangrenzende deeltjes aan te stoten om ze op de onhoudbare situatie te wijzen, en al snel was een collectief bewustzijn gevormd met een gezamenlijk doel: Terug naar het niets!

Het duurde niet lang of de situatie was zo explosief dat het onvermijdelijke gebeurde: de materie slingerde zichzelf met een luide knal terug de leegte in. En omdat daar absoluut niets was om ook maar iets tegen te houden, bleef alles gewoon door slingeren.
De oerknal en het uitdijende heelal waren een feit.

Het bewustzijn wende langzaam maar zeker aan zijn diffuse toestand en begon zich te ontwikkelen. Logisch: door het onafgebroken uitdijen, kwam het nog eens ergens, en dat was een stuk interessanter dan dag in, dag uit geplet worden door ietsgeworden niets.
Sommige brokjes materie hadden het zo naar hun zin met elkaar dat ze gingen samenklitten. Zo ontstonden bijvoorbeeld kilklompen, hotbollen, pokdalers, sliertwazen, stillegaten en het rode draaidril, dat ook nu nog in sommige uithoeken van het heelal voorkomt. Toegegeven: niks bijzonders, hoewel het voor dolle pret zorgde – en een paar vervelende ongelukken, maar daarover wordt niet meer gesproken.

Op een gegeven moment ging ook het klitten echter stierlijk vervelen. Trouwens, op een krankzinnige snelheid doelloos door het universum razen, al is het gezellig met medematerie, is op den duur een stuk minder boeiend dan je zo op het eerste gezicht zou verwachten.

Het collectief bewustzijn begon te dromen, te fantaseren en – te denken. Het gebeurde zomaar, zonder dat het er ook maar enige moeite voor had moeten doen. Het voelde alsof iemand een verborgen deur naar een nieuwe wereld had geopend – hoewel er natuurlijk geen werelden waren, laat staan deuren. Hoe dan ook; het maakte zo’n verpletterende indruk dat er eonen voorbijgingen voordat het bewustzijn in staat was om ook maar iets constructiefs te denken. Maar die eerste zinvolle gedachte was dan ook meteen goud waard: Er moest een plan worden gemaakt; een plan om de tijd te doden – of beter: tot leven te wekken.

En op een ochtend – na een krankzinnige nachtmerrie over een losgeslagen hotbol die twee kilklompen in een sliertwaas gooide en vervolgens riep: Haha, een klompwaas! – wist het bewustzijn, dat zichzelf God was gaan noemen, gewoon omdat dat wel lekker klonk, wat Hem te doen stond. Het zou geen eenvoudige taak worden. Het zou tot in eeuwigheid gaan duren – of misschien nog wel langer. Maar dat was vooral een voordeel. Er zou nu tenminste echt iets gaan gebeuren.

Na een stevig ontbijt begon God met het uitvoeren van Zijn plan. Maar eerst had Hij licht nodig om fatsoenlijk te kunnen zien – in zo’n donker universum bots je al snel ergens tegenaan, met alle gevolgen van dien.
‘Er zij licht,’ beval Hij, en onmiddellijk begonnen sterren, supernova’s en nevels hun straling binnen het zichtbare frequentiespectrum te verspreiden.

Kijk eens aan, dacht God, en Hij maakte van de gelegenheid gebruik om wat planeten met gras, bomen en water te scheppen. Hij wist niet direct waar het goed voor was, maar het zag er geinig uit en het was in elk geval interessant genoeg om er een paar miljoen jaar naar te kijken. Hij had zo gauw toch niks beters te doen. Zo knutselde Hij zaken in elkaar als manen, sterren, zonnen, zwarte gaten, antimaterie en meer van dat soort dingen. Het was een paradijselijke tijd voor een Almachtige, en het ligt dan ook voor de hand om te veronderstellen dat God zich uitstekend vermaakte.

Maar nadat er een oneindigheid voorbij was gegaan, begon het toch weer te knagen en ontstond bij God de indruk dat er iets miste. Het probleem was: er zat niet echt leven in de dingen die Hij maakte. En Hij moest alles zelf doen. Als Hij ergens bos wilde scheppen, zei Hij bijvoorbeeld: Dat de aarde vruchtbaar geboomte heeft – dat klinkt ouderwets, maar het is alweer lang geleden – en als Hij vond dat een planeet een diepe zee kon gebruiken, moest Hij daar toch weer wat voor doen. Het zou mooi zijn, zo overwoog God, als dingen vanzelf ontstonden. Al dat scheppen begon Hem tegen te staan – het begon een sleur te worden. En als het werk dan eenmaal achter de rug was, bleven de bomen maar een beetje suf staan ruisen en deed het water weinig meer dan wat doelloos kabbelen. Natuurlijk, Hij kon best een zeebeving regelen of een storm laten aanzwellen. Dan knapten er wat bomen en rezen de wateren tot in de hemel – maar het was niet echt wat Hij zocht.

Langzaam maar zeker drong zich een vraag aan Hem op: waar deed Hij het allemaal voor? Eigenlijk veranderde er nooit iets. Hij was en bleef het collectieve bewustzijn van alles – Hij was zelf het geboomte en Hij was zelf het water en Hij was zelf de hemel en Hij wist altijd precies wat er ging gebeuren, want Hij moest het zelf allemaal regelen.

Toen Hij dat dacht, besefte Hij opeens wat Zijn probleem was – dat was Hijzelf. Hij was een optelsom van alle geest en alle materie. Hij wist alles, Hij kon alles, Hij mocht alles. Maar er was niemand met wie Hij kon praten of met wie Hij het eens kon zijn – of oneens. Niemand die Zijn plannetjes steunde of juist dwarsboomde en niemand die Hem ook maar even hielp of Hem het leven zuur maakte. Niemand die tegen Hem inging. Niemand die iets onverwachts deed. Hij was de hemel en de aarde, de zon en de sterren, de bomen en het water, de lucht en de leegte. Hij was alles, maar Hij was alleen.

Kijk, dacht God: nu komen we ergens.

Hij kon in eerste instantie niets bedenken dat verandering in de zaak bracht. Hij schiep van alles dat nieuw en indrukwekkend was, zoals rode reuzen, regen, röntgenstraling en de huisstofmijt, maar tevergeefs: het bleef allemaal deel uitmaken van Hemzelf en Hij bleef alleen. En een kopie van Zichzelf maken, was nu eenmaal uitgesloten: voor zo’n project had Hij tweemaal de beschikbare hoeveelheid materie nodig. Trouwens, met zo’n type zou Hij alleen maar ruzie krijgen.

Maar Hij zat wel op de goede weg.
Als Hij nu eens een miniatuurversie van Zichzelf maakte? Of waarom niet gelijk twee? En als Hij er nu eens voor zou zorgen dat ze zichzelf reproduceerden; dat scheelde zeker op de lange termijn een hoop werk en introduceerde meteen een schitterend toevalselement.

God dacht er eens goed over na. Hij moest dingen maken die zich niet bewust waren van het feit dat ze God waren. Dingen – Hij noemde ze schepsels – die, hoewel ze deel uitmaakten van Hem, dom genoeg waren en zo weinig kennis bezaten dat ze zich alleen met zichzelf en hun directe omgeving zouden bezighouden. Schepsels die zo machteloos waren dat ze hooguit zichzelf konden vernietigen. Schepsels die de wereld konden ontdekken vanuit een volledig nieuw perspectief – dat van het kleine en het alonwetende. Een rauw en moeizaam, maar wonderschoon bestaan.

God lachte, en het universum beefde. Niets weten! Klein en onbeduidend zijn! Een zwaar leven leiden! Wat een bizar, maar adembenemend concept! Hij voelde Zich groeien van trots. En Hij hoefde alleen de informatie die de wezens vergaarden maar te assimileren, dan zou Hij Zich voorlopig niet meer vervelen.

God sliep slecht die nacht. Van de zenuwen, maar ook omdat Hij niet kon wachten. Hij wist zeker dat het deze keer zou lukken.

De volgende ochtend ging Hij onmiddellijk aan het werk. Hij had besloten klein te beginnen en maakte ergens in een uithoek een nieuwe planeet die Hij Aarde noemde. Daar schiep Hij bergen, dalen, bomen, planten, zon, maan, rivieren, zeeën, vissen, vee, kruipend gedierte – je kon het zo gek niet bedenken, of het kwam er. Niets was voor Zijn nieuwe creatie te veel.

En een dag of zes later was het zover.
God ging er eens goed voor zitten en liep in gedachten nog even na wat Hij zou zeggen. Toen schraapte Hij Zijn keel.
Uit de hemel daalde een plechtige, bijna geëmotioneerde stem neer. Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
Hm, dacht God nog even; dat had ik mooier kunnen zeggen – twee keer aarde en kruipen vlak na elkaar…

Maar daar waren ze al: poedelnaakt, wat onnozel om zich heen kijkend en zichtbaar verheugd dat het weer een beetje meewerkte.

Aldus schiep God uit pure verveling de mens. En Hij heeft er nog geen spijt van; de soort vormt een oneindige bron van vermaak.

© 2008, Gert van Santen

Over literatuur - december 2007

Ik kwam zojuist deze aardige typering van literatuur tegen:

“Sommige schrijvers lappen eigenhandig bestaande taalconventies aan hun laars. Als dat mooi gebeurt, noemen we het literatuur. Er moet dan natuurlijk wel een zekere eensgezindheid bestaan over het antwoord op de vraag welke van die doe-het-zelfconventies voldoende hoogstaand zijn om niet als kwaakspraak te worden versleten.”

(Gert van Santen, maart 2007, boekvertalerslijst)

Vertaling: Gebed voor een moordenaar - Robert Ferrigno - april 2007

Vandaag bracht de pakketdienst een doos met een aantal exemplaren van het door mij vertaalde Prayers for the Assassin van Robert Ferrigno. Als je zo’n stapeltje boeken uit de verpakking haalt, kijk je toch altijd even of ze je naam niet vergeten zijn – of erger: dat een grapjas in een melige bui een geintje heeft uitgehaald en er bijvoorbeeld ‘Dikkertje Dap’ van heeft gemaakt. Maar ook ditmaal was alles netjes in orde.

Het is altijd weer genieten, zo’n pakket. Je beseft dan weer waar je het allemaal voor doet, en in gedachten zie je duizenden lezers met een glaasje wijn en een bakje pinda’s op de bank zitten genotteren. Want voor hen heb je al die nachten zitten zwoegen met een uitgeprikt colaatje op je bureau en in de bedompte vertalerslucht een wazig zweempje elektronische muziek.

Prayers for the Assassin heet in de Nederlandse uitgave (van Mynx) Gebed voor een moordenaar, wat de lading net niet helemaal dekt. Maar, zoals de uitgeverij stelt: het bekt een stuk lekkerder dan andere opties. Daar zit wat in.

Prayers for the Assassin is een echte pageturner die handelt over een toekomstig Amerika waar de terroristen ‘gewonnen’ hebben en een islamitische regering de lakens uitdeelt. Dit gegeven vormt de achtergrond voor een spannend kat-en-muisspel waarin met name het personage van een sadistische sluipmoordenaar griezelig gedetailleerd wordt uitgewerkt.

Centraal in het verhaal staat de verdenking dat de overgang naar het islamitische regime doorgestoken kaart was en dat de internationale gemeenschap een rad voor ogen is gedraaid. Zo’n beschuldiging is natuurlijk niet mis, en de onthulling van een complot zou alles anders kunnen maken – voer voor liefhebbers van samenzweringstheorieën.
Het feit dat de hoofdpersoon niet zoals zo vaak een blanke ‘christen’ is, maar een gekleurde moslim, draagt mijns inziens bij aan de kracht van het verhaal

Een lekker boek om je tijdens elke vakantie even mee terug te trekken in je eigen wereldje.

Vertaling: De uitvinding van Hugo Cabret - Brian Selznick - april 2007

In de winter van 2006/2007 heb ik De uitvinding van Hugo Cabret vertaald.
Het betreft een bijzonder kinderboek dat inmiddels wereldwijd een groot succes aan het worden is en ook door de oudere jeugd en volwassenen wordt gewaardeerd, al was het maar vanwege de bijzondere illustraties (284 stuks!) die dit werk verlevendigen.

Hoofdpersoon is Hugo Cabret, een Franse jongen van een jaar of tien, die in het Parijs van de jaren dertig leeft. Door omstandigheden moet hij in een groot treinstation wonen en daar de klokken onderhouden. Zijn vader, een horlogemaker, is omgekomen bij een brand in een museum, waar hij een automaat restaureerde.
Hugo is geobsedeerd door deze automaat en probeert het werk van zijn vader af te maken. Hierdoor komt Hugo in contact met de aan lager wal geraakte Georges Méliès, de Franse illusionist en filmpionier die in 1902 de wereldberoemde film Le Voyage dans la lune maakte.

Interessante bijkomstigheid: Martin Scorcese heeft onlangs de filmrechten van deze roman gekocht, en sreenwriter John Logan, bekend van The Aviator is inmiddels met het script bezig. Scorcese won onlangs twee oscars voor zijn film The Departed en is een van de meest gevraagde regisseurs van Hollywood.

De uitvinding van Hugo Cabret wordt uitgegeven door Mynx en ligt vanaf juni 2007 in de winkels.

Column: De millimetermaffia - maart 2007

Wie in bus, trein of vliegtuig naar het toilet moet en ook maar enig besef van hygiëne heeft, zit al snel op hete kolen. Soms zelfs letterlijk.

Suizend over de snelweg kan de gemiddelde pendelaar het met wat bilspieroefeningen nog wel even uithouden tot zijn vinexwijk. Maar als u net Schiphol onder u weg heeft zien glijden, lijkt de sprankelend frisse toiletruimte van uw in The Big Apple gereserveerde hotelkamer ineens onbereikbaar.

Langzaam maar zeker begint het onvermijdelijke zich aan de reiziger op te dringen; de druk in de onderbuik nadert die van de atmosfeer in de cabine en dreigt deze te gaan overschrijden. De man neemt een dappere beslissing: hij worstelt zich uit de kleine stoel, schuifelt langs geërgerde hoofden naar het plastic hok dat eufemistisch ‘toilet’ wordt genoemd en sluit aan in de rij. Een voor een komen personen met deels opgeluchte, deels schuldige blikken tevoorschijn om zich snel en zo onopvallend mogelijk uit de voeten te maken.
Dat voorspelt weinig goeds. Zeker als er curry op het menu heeft gestaan.

Eindelijk is de reiziger aan de beurt. Hij is een forse man van bijna twee meter, en hij slaagt er slechts met veel moeite in zich naar binnen te werken. Adem in, omdraaien, deur op slot. Zijn bretels dwingen hem om eerst zijn overhemd uit te trekken. Maar dat is nagenoeg onmogelijk – hij stoot voortdurend zijn handen, vingers, hoofd en ellebogen. Het zweet breekt hem uit.
Dan valt tot overmaat van ramp zijn leesbril, die hij handig op het hoofd draagt, in de pot. Het feit dat de grond vol urine, wc-papiersnippers en ondefinieerbare troep ligt en het hok naar rotte aardappelen stinkt, lijkt even vergeten. Ook tijdens de afrondende werkzaamheden gooien de geringe afmetingen van het minuscule martelkamertje roet in het eten. ‘s Mans achterste is nagenoeg onbereikbaar voor zijn grote handen.

Enkele minuten later perst hij zich badend in het zweet weer naar buiten. De verontschuldigende blik in zijn ogen doet de wachtenden het ergste vrezen.

Nu denkt u misschien – ach, die van Santen heeft boter op zijn hoofd; die is zelf ook niet de magerste. Dat mag dan zo zijn – maar u bent gewaarschuwd: de millimetermaffia rukt op; in nieuwbouwhuizen, in restaurants, in treinen en bussen; overal waar ruimte bespaard kan worden, want ruimte is geld.

Zo bezocht ik onlangs een alleenwonende vriend die een ranzig hok in het oosten des lands voor een keurig appartement in hartje Den Haag had verruild. Lekker ruim, leuke keuken – en een reusachtige natte cel met een uitgestrekte loze ruimte.
Wat was daar de bedoeling van? Een kookeiland neerzetten? Onderverhuren? Een wc was welkom geweest en had voldoende plaats gehad, maar daar had de ongetwijfeld zeer geleerde ontwerper een andere ruimte voor verzonnen – ongeveer ter grootte van een bezemkast. Een vliegtuig-wc in je eigen huis. Je moet er maar opkomen. Of zouden ze het toilet inderdaad per ongeluk in de bezemkast…?

Wie zijn toch die Men in Black die van onze leefomgeving een poppenhuis willen maken; die doen alsof niemand langer is dan 1,75 m, geen hond tijdens een vliegreis meer dan 10 cm beenruimte nodig heeft en een aanrecht hoger dan 90 cm alleen wat voor beroepsbasketballers is? Waarschijnlijk hebben ze dezelfde opleiding genoten als de inkopers van kledingwinkels, waar men mij al sinds mijn puberteit weet te melden: ‘De grote maten zijn er al uit hoor – die vliegen altijd weg.’
En om nog even op die wc terug te komen: welke professoren hebben de sukkels laten afstuderen die vier vierkante meter nutteloze doucheruimte handiger vonden dan een paar decimeter extra bewegingsruimte om in het toilet je achterwerk te kunnen bereiken zonder dat je per ongeluk de wc-bril en je overhemd bevuilt?

Terwijl ik dit alles overweeg onder het genot van een biertje en we op het terras van hotel Schützen – waar je zelfs met gebogen rug niet kunt douchen – op de bestelde rösti wachten, legt het meisje van de bediening ons bestek op tafel. En dan blijkt dat er wel degelijk mensen bestaan die beseffen hoe belangrijk het is dat gebruiksartikelen een zinvol formaat hebben; met de vork en de lepel die hier liggen, kan probleemloos de tuin worden omgespit.

Niet dat ik een tuin heb, maar het zet je toch aan het denken…

© 2007 gert van santen

Literair: gedicht Duizend bloemen - maart 2007

Lang geleden heb ik eens een gedicht geschreven. Het maakte deel uit van mijn roman De Chemische Tuin, die in de loop van de 21e eeuw zal verschijnen (Deo volente, uiteraard).

Nu ben ik absoluut geen poëzieman, en voor de magazines die wel eens een gedichtje nodig hebben, zit ik soms urenlang te zwoegen. Niettemin vind ik onderstaand epistel nog steeds de moeite waard. Het mag dan ook de opening van nl.nl verrichten.



duizend bloemen

toen vroor het wit en als een nieuwe zon
zong fluisterend de maan door ‘t stille bos
heel breekbaar rinkelend oneindig teer
belandde verse sneeuw op ‘t dode mos
en bloeiden duizend bloemen in één nacht

was mijn lichaam zwaar en zwak
wanneer ik aan je had gedacht
als engel eeuwig en perfect
de witte waas die zijdezacht
je bleke naakte schouders streelt

vervlocht ik werk’lijkheid en droom
tot dit betoov’rend vrouw’lijk beeld
een schepping ziek van zelfbedrog
maar met een hemels laagje eelt
op weg naar charon’s helleboot

nu ligt het stil door god en heer verlaa’n
het levenslicht een laatste sprankje rood
verloren kind in dit gedoemde land
verspreidt het reeds de zoete geur van dood
waarmee ‘k mijn blind geworden ziel verlos

doch zie ‘t vriest wit en als een nieuwe zon
zingt fluisterend de maan door ‘t stille bos
heel breekbaar rinkelend oneindig teer
belandt weer verse sneeuw op ‘t dode mos
en bloeien duizend bloemen in één nacht


© 1992 gert van santen